'Letterbox Cemetery'

NICHOLAS BURMAN

 

About once every two months I have to take the short walk to the postbox and pop into the 'local postcodes' slot envelopes which have my address preceded by the name of the previous tenant of my room crossed out and "doesn't live here anymore" written over them in biro.

     On moving in day there were small hooks stuck to the otherwise  bare walls of the room. I struggled but succeeded in dethroning these hooks that once hung memories, or keys, or a small coat.

     As one body dissolved into the past my new body took up the space and the space became different, new. A box is a box but a person in a box is a place, is a location others may travel to.

     I wonder what mementos they had on their walls, or scattered across their table. Books and ripped bits of paper and crumbs from their breakfasts, like me? I wonder how they hung up their clothes or how often they cleaned the floor. If their ghost is still here with me, us both hunching our necks beneath the showerhead while we contemplate the days below and above us.

     I know nothing about them, apart from that they're  disorganised enough to have not alerted the relevant authorities that: I won't be living here anymore. By the look of their name and the regularity of contact from the immigration office I can at least tell that they had to move to this place, like me, from some other country, and also had to redefine home for a time. Although I don't receive these sorts of letters, so maybe I'm not as foreign. But then again, what does that mean?

     How many more mountains and seas did they have to cross, and I wonder if the arrival of snow and the freezing over of the canals (resulting in us and the ducks perching on top of uncertain waters) were more alien to them. The same event through two sets of eyes does not produce the same vision.

     I flick forward to some point when I'll be preparing to go, dissolving myself, leaving my ghost here to greet the next tenant with a spooky sort of friendliness. All three of us there, watching the room change, watching our marks on it disappear, feeling that deep sense that everything moves on, and the box will be the same box but not the same place.

     Maybe I'll not alert the officials that my position is going to be different. Gravestones made of paper will glide from the satchel of the bearer of news, our letterbox will overflow with names that mean nothing but were once here.

 

 

VLIEGVELD

MARIE GROOTHOF

 

08.43 uur

man en vrouw

vliegveld

 

Een man op een vliegveld kijkt naar zijn vrouw die na hem de douane passeert, terwijl hij wacht tot hij zijn koffers van de band af mag halen.

Ze heeft haar haren stevig in een vlecht gedwongen.

Ze moest haar riem afgeven en loopt nu met haar handen boven haar hoofd

door het poortje, terwijl een vrouw achter haar nauwlettend in de gaten houd

of er niks begint te piepen.

‘ Give me the future,...I’m ready ” staat er op haar t-shirt

geschreven.

Hij keek naar haar, terwijl ze met geheven armen, zonder riem, tussen een rij

gewapende mensen de toekomst tegemoet probeerde te komen. Na de eerste

poging, blijkt dat ze deze oversteek op sokken zal maken. Vervolgens worden

haar zakken door twee vrouwen grondig doorzocht.

De toekomst werd hier goed bewaakt,...daar kom je niet zomaar in.

 

Daarna zijn ze naar de plek gelopen die ‘het einde van de wereld genoemd

werd’,  maar daar aangekomen was het zo mistig, dat ze niet konden zien hoe

dit einde er precies uit zag.

‘Zal je net zien’ was het enige wat hij daarop wist te zeggen. ‘Klaar voor de

toekomst,....maar het einde houden ze nog even geheim’

Hij vroeg zich af of hij er zelf eigenlijk wel klaar voor was, die toekomst,...hij

dacht misschien van niet.

‘ Never mind the future, (I’m not really ready,.....yet) ’ zou hem waarschijnlijk

meer passen,...

 

Hij stelde zich die witte bedrukte t-shirts voor, naast elkaar in de mist. Op deze steen. Het broodje kaas dat ze zouden eten stelt hij zich voor, omdat ze niet weten hoe lang ze nog moeten wachten.

En het samen staren,...naar dat mistige, onzichtbare einde,..

 

 

(note: meer van deze situaties verschijnen in Peer paper MAPS issue 4!!)

 

 

 

 

De weg naar huis

LIESBETH WIEGGERS

 

De eerste schooldag werden we nog door onze moeders gebracht, maar we vonden het heel gewoon dat we het na die eerste keer zonder begeleiding moesten doen. Met oudere zussen en kinderen uit de straat vormden we een groepje dat elke ochtend 'recht naar school' liep, zonder omwegen.

Op de weg terug lonkte het avontuur. Omdat school niet voor alle klassen op

dezelfde tijd uit ging, was er meer vrijheid. Met zijn tweeën of drieën, soms alleen, beslisten we heel anders over de terugweg. Een route door onbekende straten betekende voor ons al grote opwinding. Andere huizen zien, andere mensen, het was een ontdekkingsreis, die we met kloppend hart maakten.

En er was ook een beetje de spanning van het verbodene. Want ook op de terugweg moesten we eigenlijk 'recht naar huis'.

Van alle avontuurlijke omwegen waren 'de poortjes' het spannendst.

'De poortjes' was onze benaming voor een stelsel van gangen dat achter de huizen lag. Aan weerszijden van de gangen stonden schuttingen met houten deuren die toegang boden tot achterplaatsjes. Bredere gangen vertakten zich in smallere gangetjes en vormden een onoverzichtelijk doolhof dat gevaar ademde. De waarschuwing van onze moeders dat we nooit door de poortjes mochten, boezemde ons al angst in, maar het gerucht dat er een kinderlokker rondliep maakte de poortjes nóg dreigender. Wat die kinderlokker precies met je zou doen als hij je in zijn val had gelokt, dat wisten we niet. Maar we wisten wel dat hij je snoepjes zou aanbieden en dat je die snoepjes nóóit mocht aannemen. Er was iets met die snoepjes. Eén keer ben ik alleen door de poortjes gerend. Het moest snel gebeuren. Niemand mocht zien dat ik het verbod van mijn moeder negeerde, dus draalde ik bij de uitgang van de speelplaats tot mijn klasgenoten de straat uit waren. Ik liep rustig naar de poortjes om, eenmaal in de gangen, tempo te maken.

De eerste meters waren nog ongevaarlijk, maar daarna kwamen de smallere gangetjes, de engste. Dan zou de kinderlokker je de weg versperren en zou je zó in zijn val lopen. Af en toe hield ik mijn adem in om te horen of de kinderlokker ook ergens in de gangen liep en zich met het geluid van zijn voetstappen zou verraden. Maar ik hoorde alleen mijn eigen ademhaling en de galm van mijn voetstappen. Bij elke hoek verwachtte ik tegen de

kinderlokker op te botsen en ik nam me voor dan niet om te draaien en terug te rennen, dat zou laf zijn. Ik zou me langs hem heen wringen, hij zo proberen me te grijpen, maar ik zou zijn vieze handen kunnen ontwijken. Omdat ik sneller was dan hij. En dapper.

De kinderlokker was er niet, hij was vast ergens anders kinderen aan het ontvoeren. Hijgend bereikte ik het einde van de poortjes. Ik ging langzamer lopen en controleerde mijn ademhaling. Ze mochten niet aan me kunnen zien wat ik gedaan had. Zo rustig mogelijk liep ik naar huis.

Die avond zat ik anders aan tafel. Trots. Ik kon mijn overwinning met niemand delen, want als mijn moeder zou horen dat ik door de poortjes was geweest, zou ik straf krijgen. Maar ik heb stilletjes genoten, van hoe ik rende en hoe spannend het was en dat ik toch ben doorgegaan. Ondanks de kinderlokker met zijn gevaarlijke snoepjes. Ik dacht toen nog dat ik nooit meer bang zou hoeven zijn.

BLOG